Wat is ondervoeding bij ziekte?

Wat is ondervoeding bij ziekte?

Feiten en cijfers

Ondervoeding bij ziekte is een groot probleem binnen de Nederlandse gezondheidszorg. Uit landelijke prevalentiecijfers blijkt dat in het ziekenhuis 25-40%, in het verpleeghuis 20-25% en in de thuiszorg 15-25% van de patiënten ondervoed is. Inmiddels is veel bekend over de gevolgen van ondervoeding bij risicogroepen, zoals ouderen, chronisch zieken en patiënten rond een operatie. Ziektegerelateerde ondervoeding leidt aantoonbaar tot langzamer herstel en complicaties bij ziekte en operaties. Gevolgen van aan ziekte gerelateerde ondervoeding zijn verlies van lichaamsgewicht en spiermassa, daling van de weerstand, verhoogde kans op complicaties, zoals infecties en decubitus en een vertraagde wondgenezing. Deze situatie kan tot een negatieve gezondheidsspiraal leiden zoals langere opnameduur, verhoogd medicijngebruik, toename van de zorgcomplexiteit en afname van de kwaliteit van leven. Ook is  wetenschappelijk aangetoond, dat ondervoeding een onafhankelijke risicofactor voor overlijden is.

Uit de literatuur kan worden afgeleid dat de kosten voor de gezondheidszorg in Nederland van ondervoeding minimaal 300 miljoen euro per jaar zijn. Sommige berekeningen lopen zelfs op tot ruim 1 miljard euro per jaar. Het probleem en daardoor de kosten van ondervoeding zullen de komende jaren alleen maar toenemen gezien de groeiende groep ouderen en chronisch zieken.

Wanneer is er sprake van ondervoeding?

In het algemeen wordt er gesproken over aan ziekte gerelateerde ondervoeding wanneer er bij ziekte sprake is van onbedoeld gewichtsverlies van meer dan 10% in de laatste 6 maanden of meer dan 5% in de laatste maand. Verder is er ook sprake van ondervoeding bij een Body Mass Index (BMI (gewicht / lengte2)) van kleiner dan 18,5 kg/m2. Bij ouderen ligt het afkappunt van de BMI voor ondervoeding op 20 kg/m2

Wat is het probleem?

Uit onderzoek blijkt dat te weinig betrokkenen bij deze feiten stilstaan. Het probleem van ondervoeding bij ziekte wordt onderschat door artsen, verpleegkundigen en het management, maar ook door de patiënten zelf en hun naaste familie.

Risicogroepen in de huisartspraktijk zijn patiënten met COPD, hartfalen, depressie, dementie, inflammatoire darmaandoeningen en decubitus. Daarnaast behoren tot de risicogroepen mensen die ouder zijn dan 80 jaar, vereenzamen, een slecht gebit hebben, herstellen van een fractuur, met oncologische aandoeningen, die veel medicijnen gebruiken en die binnenkort een operatie moeten ondergaan. Alle cliënten die een vorm van thuiszorg krijgen behoren tot de risicogroep.

 Wat is de oplossing?

Bij de groep chronische patiënten kan herkenning van ondervoeding opgenomen worden in de reguliere behandeling. Voor de groep patiënten met de bovenstaande specifieke kenmerken dient de huisarts alert te zijn wanneer deze groep patiënten een beroep doen op huisartszorg. In de thuiszorg dient screenen op ondervoeding opgenomen te worden in de verpleegkundige anamnese bij de intake door de wijkverpleegkundige. De multidisciplinaire afspraken rond de herkenning en behandeling van ondervoeding zijn vastgelegd in de LESA Ondervoeding.

Voor de eerstelijnszorg en thuiszorg kan ondervoeding bij ouderen (>65 jaar) gesignaleerd worden met behulp van de SNAQ65+ (Short Nutritional Assessment Questionnaire for 65+)(21) en bij volwassen (18-65 jaar) met behulp van het berekenen van de BMI en het percentage onbedoeld gewichtsverlies.

De SNAQ65+ is ontwikkeld voor de groep ouderen die thuis woont en eventueel gebruik maakt van de thuiszorg. Het instrument is snel een eenvoudige te gebruiken. In plaats van het berekenen van BMI is gekozen voor het meten van de bovenarmomtrek, omdat dit met name bij cliënten thuis makkelijker en betrouwbaarder is uit te voeren. Bovendien blijkt dat bij ouderen de bovenarmomtrek meer gerelateerd is aan mortaliteit dan BMI.

 Op basis van de screeningsuitslag treedt het multidisciplinaire behandelplan in werking:

  • Bij een SNAQ65+ score ‘groen’ is geen sprake van ondervoeding hoeft er geen voedingsinterventie te worden gestart;
  • Bij een SNAQ65+ SNAQ score ‘oranje’ is sprake van matige ondervoeding. De cliënt krijgt uitleg en een folder over energie- en eiwitrijke hoofdmaaltijden en tussentijdse verstrekkingen en het advies om zich regelmatig te wegen;
  • Bij een SNAQ65+ SNAQ score ‘rood’ is sprake van ernstige ondervoeding. Binnen één werkdag na screening schakelt de arts of verpleegkundige de diëtist in en binnen twee werkdagen nadat de cliënt is aangemeld bij de diëtist neemt de diëtist telefonisch contact op. De diëtist bepaalt de ernst van de voedingstoestand, geeft een uitleg over de behandeling en een eerste globaal advies. Binnen vijf werkdagen na het telefonisch consult vindt een eerst consult plaats waarin de diëtist een op de behoefte van de patiënt afgestemde eiwit- en  energieverrijkte voeding behandeling adviseert. Evaluatie van de behandeling vindt binnen twee tot tien werkdagen plaats. De diëtist maakt gebruik van de principes van motivational interviewing.
Copyright ©2013 stuurgroep ondervoeding Ontwerp:Webspinnerij